13631

gedicht, vrije vorm

de ruimte volledig dichtgemetseld
het donker totaal
het grote inzicht in een modderstroom
ik vertrouw de schrijvers niet
ik heb mijn wagen volgeladen
met oprechte twijfel

13621

gedicht, vrije vorm

vervloekt werden ze, in donkerder tijden.
dat het eindeloze zuchten van dag en nacht toch
op de tollende aarde neerstorten zou
de scherven op de alomvattende schedel
de brokken in de bodemloze spiraal.

ondanks dat niemand ze uitnodigt
blijven de ochtenden standvastig komen.

13620

gedicht, klankdagboek, vrije vorm

ze laat los en begint haar dwarrelende reis
langs knopen, knoesten, korsten en buiken
flirt met de weerstand, bewijst het bestaan
van brullende bladblazers op een blauwe morgen

 

 

13613

gedicht, vrije vorm

middeleeuwse gezangen vanaf een cassettebandje
koor van magnetische deeltjes
boort door schedel, vormt zich tot een hoofdpijnwolk

stemmen van metaal: samen met alles dat verzacht
stikken in de zoete geur van wierook

13612

gedicht, vrije vorm

eerst iets over ze zeggen,
die ‘verdomde dingen’,
zoals ze daar staan,
vol van omvang,
te stormen in elektrisch licht.

dan in naam der lieve vrede
en omwille van het weer
naar buiten kijken:
is het heelal er nog, buiten dit?
anders ga ik terug naar bed.

dan nog goed zijn:
daden maken van
voeding die uit daden kwam
omwille van hen die een hoofd hebben
hier buiten in de grote liederenbol.

ook nog eens ophouden:
een te dik boek op schoot hebben,
vermoeidheid hangend als een oude jas,
als nevel over weilanden.
dan uitstappen

voor de cyclus is voltooid.

13604

gedicht, haibun, vrije vorm

Een meeuw vliegt langs het raam, wachtend op een oostenwind die hem terug naar zee zal blazen. Stalen brandtrap zet uit in horizontale morgenzon. Laatste herfstbladeren klampen zich aan hun takken vast, zullen vallen en als lang verlorenen onder de mensen komen.

 

alle vroegte
in lichte nevel straalt
zon uit duizend ruiten