13679

gedicht, vrij
01-02-2019
mettertijd

onwennig draagt de stad haar nieuwe jas.
de vorst ademt wolkjes in
uit monden, uit schoorstenen, daar komen de wolken vandaan.

zo schrijf ik je als niemand nog bestaat
het ruisen van de kachel de vorm van de ruimte aanneemt,
de lucht roder voorbij trekt dan ze werkelijk is.

je kunt de dag beginnen met beweeglijke vogels
en onverschillig metaal, je verwonderen,
zien hoe alles zichzelf al draagt en mettertijd

verder smelten zal.

13674

gedicht, vrij
27 januari 2019

sta op, trotseer het donker
de aarde is klein
de winter is klein
achter de regen en de wolken
ligt de rest van het heelal, daar
schijnen miljarden zonnen

13673

gedicht, vrij
26 januari 2019

bloed uit gezicht weg
waar blijf je in
de ruimte waar je net nog was
uit één hersenhelft
zo droevig weggelekt
waar blijf je hier
hoe kom je terug

13671

gedicht, vrij
24 januari 2019

er lopen vreemde aderen door het bos
wandelend door de gassen ruiken we de bomen niet
afgesneden door brute kracht steken we niet over
door de ijzeren ruis staan we los en horen niet
hoe zwijnen en herten kraken, eekhoorns spokend rennen
druppels op de grond ons willen vertellen hoe de sneeuw smelt van de dennen
van Panbos tot Heuvelrug en plots urgent ter plekke
in de parallele wereld langs de weg naar Zeist

13669

gedicht, vrij
22 januari 2019
Verduistering

vorstnacht bij fel maanlicht
meter voor meter projecteert de zon
een foto zoals de astronauten namen:
stukken aarde, een negatief in rood en zwart

van ver op het maangezicht.
sterren, in nieuwgeboren duisternis verschenen,
wachten tot de ochtendspits begint.

een nacht lang: de stilte het donker
het donker, het donker de stilte
en dan plots boven gebouwen

tevoorschijn.

 

13668

gedicht, vrij
21 januari 2019

je ziet hier iedere dag hetzelfde
hekwerken, ramen, deuren
een plastic plant zonder kleuren
schudt de dauw uit zijn haren
een vorm van heden tussen vroeger en later
rietgevlochten stoelen, gedachten, beloften, bedoelingen
en aan de ruiten treurig hangend water

herfstbladeren verscholen in wintersneeuw
de lente die nog dolend
in een hinderlaag verscholen
op ontploffen wacht
de verwachting die al dampend
blijft komen uit takken van bomen die nog sluimeren, dromen
en de zon die beloftes maakt van de droogte en hoe hij in de hoge zomer
tot wasdom zal komen.

je ziet hier iedere dag hetzelfde
slaperig zit ze al dagen vragend tegenover me
giechelt bij een ontbijt van drooggebakken broodjes
met buiten vorst en hoemoes tegen de dorst
‘de ramen zijn goed beslagen’ zegt ze en iets over isolatie
je ziet de mensen als schimmen vliegen, rennen
van alle beweging die ik op de koude straat zie
kan ik van de wereld het minst of niets ontkennen.

13666

gedicht, vrij
19 januari 2019

wat komt ze mooi
eindeloos
dag in dag uit overwaaien

met de zachte winter
met het eerste vriezen
met de eerste bloei

het is zoals bij samenleven
de herhaling kan zo maar
het begin van het einde zijn