13962

gedicht, haibun, vrij
11 november 2019

Stilte bestaat hier niet. Het gromt, klopt en bonkt tot het donker wordt. Als de mens zijn werk heeft gedaan, schreeuwt hij. Als hij schreeuwt heeft hij geen boom zien groeien, geen baksteen zien tobben in verval.

er is een groot verschil tussen
de mens en zijn werken en
de stilzwijgende weidsheid
die er buiten is

nu niet langer wachten
op het ongebeurde,
nu vluchten voor wie ons weghoudt
van open luchten en volle zee

van dat oneindige verdwijnen
het bekken omsloten en kopje onder
in het wonderlijk kolken
van de onderstroom

13947

gedicht, haibun

27 oktober 2019

Boven de zwart geworden contouren van de stad hangt een laatste cirruswolk als zijn eigen schaduw in het vervagend blauw van de avondlucht. Twee glasbakken rinkelen om het hardst. De wind die de nachten kouder heeft gemaakt gaat voldaan liggen, een man hangt lege tassen aan zijn fiets.

 

als watervlekken
groeien de nachtschaduwen
de kozijnen in

13942

gedicht, haibun, haiku
22 oktober 2019

vijf uur ’s morgens, een kerkklok, een sirene, dan stil. Theezakjes, een plant die om zich heen grijpt. Donker dat straks langzaam van het balkon zal lekken, tot grommend en percussief de mens de dag aanbreekt. Opnieuw beginnen, maar hoe?

 

grote, kleine geest
na openen van gordijn
de hele wereld

13913

gedicht, haibun
23 september 2019

Vóór zonsopgang, vóór de ochtendspits. Eigen voetstappen komen boven het verkeersgeluid uit, zachte regen ruist fluisterend over de gracht. Café’s worden vast met drankvatten gevuld, een klok schijnt als een maan. Een montere man werpt een hartelijk ‘goedemorgen!’ door een stevige wolk sigarettenrook. Knikkend naar de stenen gebouwen zwengelt hij een bladblazer aan, die hees bulderend de dag begroet. Het zijn de nieuwe hanen, ze liefkozen de belofte en wenken de zon.

vlak voor equinox
ochtendlicht nog niet feller
dan de daglichtlamp

13826

gedicht, haibun, haiku
28 juni 2019

Weer fris genoeg (het weer) om thee te drinken. Nog rustig in de stad, weinig snelweggeluiden. Zo’n eigenaardig gekleurde morgen, een dag ontdaan van iets waar ik nooit een woord voor gevonden heb.

naar binnen gekeerd
in het ruisen van de stad
verdwijnt hij steeds meer

13802

gedicht, haibun
4 juni 2019

prettig klam. Verre vliegtuigen imiteren naderend onweer. Links is het donker, rechts is het licht. Onmogelijk gevormde wolken drommen grommend samen. We hebben regen nodig, voor vandaag, voor morgen.

 

naderend onweer
op de donderachtergrond
groeien zwaluwen

13797

gedicht, haibun
30 mei 2019

de motregen op hemelvaart. Voor de dauwtrappers komt de dauw uit de lucht dit keer. In het onnaargeestige grijs van de morgen ruisen planten oorverdovend groen.

 

in het hoge gras
slijten zoekende voeten
een verdwijnend spoor

13795

gedicht, haibun
28 mei 2019

Totale stilte voor de ochtendspits. Een stad nog leeg, niet geblokkeerd door auto’s en lichamen, de lucht nog vrij van uitlaatgas. In het gras besluipt een kat een duif. Als de duif vlucht, zoekt de kat onverstoorbaar verder. Het gras nat, de belofte van regen.

het water tikt op
vormen in stromend water
een blik in de goot

13794

gedicht, haibun
27 mei 2019

Zittend op een kussen groeien namaakrieten matten mijn buikwand binnen. Onbeweeglijk lichaam verbijt, verdooft zich. Lichte wolken in de morgen zijn rustgevend en onheilspellend. Hoofd zakt diep in buik, waar de schedelscherven prikken. Ik kijk haar aan, maar ze kent nog steeds mijn naam niet.

onder avondschemer
overdekt door bonzend hart
klinkt een stem op straat

13780

gedicht, haibun, haiku
13 mei 2019

Bij het vallen van de avond trekt men deuren in het slot. In het klikken hoor je weerkaatsingen van de buitenmuren komen, in het dreunen voel je hun gewicht.

 

stil en laat blauw licht
verstrijkende tijd begraaft
dit huis in het stof

13773

haibun, haiku
6 mei 2019

Op het Jaarbeursplein gonst een langgerekte zoemtoon, een signaal, een machine: bouw. Een laag ruisen maskeert het verkeer in de verte. Het is vroeg, de mensen zwijgen nog. Een groep mannen met identiek haar breekt de stilte en lacht uitbundig. Je kunt hier vandaag geen klanken oogsten, en woorden weinig. De grond trilt. Er komt een trein.

stenen stationsplein
groepen mensen ploegen door
ochtendruis en -roes.

13709

gedicht, haibun, haiku
3 maart 2019

Stormachtig. Rommelende windstoten ruiken naar regen. Omvallende stoelen werpen valklank tegen de muren. Herinnering aan zee, aan ver. De dag begint.

bol en opwellend
reikt de stormwind naar binnen
slaat bladzijden om

13662

gedicht, haibun, haiku
15 januari 2019
In Drenthe

Kale bomen en akkers met grote plassen water. Sporen van tractors die uit het verleden spreken. Contouren van de sloten door hoog water vervaagd en onduidelijk. Gevallen bladeren, al begonnen met vergaan, worden spoedig door de gulzige grond verzwolgen. Laag licht droogt het land, betrapt haar op heterdaad.

lange schaduwen
lage januarizon
schijnt op natte wei

13651

gedicht, haibun, haiku
4 januari 2019

Een betonnen kubus met aan één kant glas. De vinexwijk zag ik nauwelijks, ik zag een strand dat hier helemaal niet was. Zoals de vele wegen buiten lopen wij langzaam uit elkaar. Je ziet het gebeuren, maar kunt het nauwelijks helpen.

blokkig tuinlandschap
erboven witte vogels
op hun weg terug

13623

gedicht, haibun, haiku

Botten in de regen. Regen die aanklopt op de huid om binnen te mogen. Botten met pijn, een lichaam. De gelijkenis in kleur tussen potloodgrafieten schilfers en een door bureaulamp verlichte sleutelbos. Gisteren was ze opeens daar, nieuw en intelligent.

de misselijkheid
de dagen hecht vervlochten
de troost van regen

13604

gedicht, haibun, vrij

Een meeuw vliegt langs het raam, wachtend op een oostenwind die hem terug naar zee zal blazen. Stalen brandtrap zet uit in horizontale morgenzon. Laatste herfstbladeren klampen zich aan hun takken vast, zullen vallen en als lang verlorenen onder de mensen komen.

 

alle vroegte
in lichte nevel straalt
zon uit duizend ruiten

13603

gedicht, haibun, haiku

de nacht is om ons heen geslopen, zoals ze dat soms doet. Bewegingloos strekt ze zich uit over donkere ramen. Blauw licht door een gordijn bij overbuurvrouw geeft het duister diepte. Dit is hoe stilte oogt, dit is het omhelzend zinkgat van de winterhalf.

Heldere herfstnacht
ronde, slapende schoorsteen
weerkaatst diepdonker

13567

gedicht, haibun

zo ligt ze daar open, kwetsbaar,
zij die ik zo heb begeerd.
gulzig tot de kuil tussen haar borsten
is ze, het daverend kabaal dat de hemel breekt.
scheuren in klare lucht opent ze
waar ik roer- en hulpeloos oplossend
vergeefs in verkeer.

 

Het geluid van een piano klinkt ver. Blauwe, atonale golven. Ze speelt de balken uit mijn hoogslaper, het zuchten van de trage nazomerzonsondergang. In wat ze speelt hoor ik wie ze is. Beklim de ladder naar mijn ogen. Leg je onhoudbaar naast me neer.
Blijf hier, kom boven, blijf.

13446

gedicht, haibun

Het gonst van straksklinkende klokken, van radiotoestellen waar de spanning af is. De stad is windstil zwijgzaam. Boom vertakt zich koel de schemering in.

schaduwen van rijst
sporen in de vensterbank
kom onaangeroerd

13445

haibun

Bij zonsondergang, laat om de lente. Groot licht werpt schijn vanachter de horizon, vangt vervliegende wolken in bundels wittig oranje. Mouw van blouse werpt schaduw door plastic dak, verbuigt het vallen van de avond. Buren praten, alcohol-hard, dan weer vrolijk, dan weer ernstig. Kom maar, kom maar tot leven.

 

geur van barbecue
zon zakt in bakstenen huis
de lucht vol stemmen