13287

Brieven aan S, proza

4e brief aan S.

Lieve S,

vandaag is een dag waarop je kiezen moet tussen opkrullen in kunstlicht of het echte licht omarmen. Wolken doorkruisen de late morgen en werpen schaduwen die bestaan, maar niet herkend worden. De wind fluit er een wijsje bij. De mensen dromen: was het maar lente, vlogen de zwaluwen hier maar vast boven, dan joelden de knoppen van het water aan dunne boomvingers zonder bast.

Maar het is winter. De mist zit in de ramen en wil niet naar buiten. Een meeuw zonder benen worstelt zich vreugdeloos door de atmosfeer.

Kom je nog wel eens in Scheveningen?

Liefs,
H.

12902

haiku, proza

We dronken groene thee. Hij was boos over iets dat een dag eerder gebeurde. Mensen en hun gedragingen, mensen die hier niet waren. De tafel was woede, en ook de hele wereld aan de andere kant van het glas. Buiten liep een hond, en een meisje met een tas. Zelfs zij, die zo mooi was. We dronken groene thee, maar proefden het niet.

 

door het vensterglas
dat misschien ondoorzichtig is
een weerspiegeling

 

 

12349 – 3e brief aan S.

Brieven aan S, proza

Lieve S.,

 

het is wonderlijk hoe koud de morgen nog kan aanvoelen op een dag die tropisch warm zal worden. Binnen geeft de thermometer 21 graden aan; in de winter zouden we beginnen te zweten, maar het is geen winter en een mens went aan bijna alles. Kippenvel. Het is een morgen om naar het strand te gaan, niet om te zwemmen maar om er te slenteren in je veel te lange broek en om het zand naar binnen te voelen stromen door je kapotte, stoffen schoenen.

 

Ik heb van je gedroomd vannacht. We hadden een fiets die op vier verschillende manieren in elkaar geschroefd kon worden, en we begrepen er beiden niet veel van. Dat was in orde, omdat we eigenlijk niet weg wilden.

 

Na zulke dromen mis ik je.

 

H.

12320

Dagboek, proza

Kwart over zeven. We zijn aan het werk, radio maken, op de vroege avond van hemelvaartsdag. De zon verwarmt het platte dak, de deur naar de brandtrap staat open. Stemmen waaien binnen van het plein, glazen klinken. Op een dakterras zitten drie mannen in klapstoeltjes, drinken bier en spreken Engels.

Kwart over acht. We leggen klanken vast op band. ‘Zullen we die laatste nog een keer doen, Jan?’ Op het dakterras klinken flesjes tegen elkaar. Een bulderende lach schalt door iemands baard.

Kwart voor negen. We bouwen golven van geluid. Onbekende muziek. Het wordt steeds warmer. Naarmate de avond vordert wordt het lachen buiten steeds hoger en hysterischer. Iemand gooit stukjes hout van de dakbedekking door een koepel naar beneden. Een ander verslikt zich van het lachen.

Negen uur. Iemand roept verwensingen door een koepel naar beneden. ‘Wat doe je hier nog? Ga naar huis, idioot!’ en vele vervoegingen van het woord kanker. Kanker is een werkwoord. Niemand lacht nog.

Half tien. De zon gaat onder achter de gebouwen, de deur naar de brandtrap staat open. Steeds minder stemmen waaien binnen vanaf het plein. Het dakterras is leeg. Oranje lucht gloeit na in lege glazen. Kanker, riep hij. ‘Kanker’ riep hij. Feestjes en levens komen soms abrupt tot een eind.

Dag 12313

Brief, proza

Lieve S.,

Buiten schreeuwen mannen, maar waarover of waarnaar weet ik niet. Is het niet gek, al die machines en dat gezoem en geratel, het aanzwellen ervan in de loop van de dag en het zwijgen ervan elke nacht? Je weet dat dat komt omdat een mens ook slapen moet, en eten en warm blijven en liefhebben en wat niet meer, maar dat maakt het golven ervan niet minder wonderlijk en vreemd. De wereld draait, en in datzelfde ritme draaien de mensen, en daarbinnen draaien de machines, die zelf tandwielen hebben. We branden op en branden af en er draaien miljoenen wieltjes die de dienst uitmaken,die zonder weten bepalen waar het leven begint en eindigt en ook nog wat daar tussen gebeurt. Geen wonder dat de mens al honderdduizenden jaren bang is. Geen wonder dat hij bij goden zoekt naar troost.

Werk je nog bij het concertgebouw, eigenlijk?

Dag 12312

Brief, proza

Lieve S.,

Het blijft lang koud in Nederland deze lente. Dapper heb ik de verwarming naar beneden gedraaid, maar ben daarin wellicht te enthousiast geweest. In de middagen, als het helder is, schijnt de zon op de dakplaten en warmt het snel op. Zodra de zon verdwijnt neemt ze de warmte mee. Misschien
verlang ik naar instabiliteit. Eindeloos drijven de wolken voorbij en zwerft het zonlicht over de muren, morgen weer, dan is het licht misschien wel grijs. Daar moest maar niets aan veranderen, de zon moest maar wat lijken te bewegen en de ene dag geruisloos doen overgaan in de ander. We
moesten elkaar zomaar wat met rust laten of juist opzoeken, daarvoor soms land en zee oversteken en dat het in beide gevallen goed is. Alle tijd om te denken aan buiten, om herinneringen voorbij te laten trekken, aan die brug aan het Zwartewater waar je onderdoor fietsen moest, en waar je altijd vrienden tegenkwam. Die brug ligt er nog, en aan het dorp zal ook niet veel veranderd zijn. Toch zijn ze beiden vergankelijk als de herinneringen waarin ze zich spiegelen, als in het water zelf. Ik hoop dat het goed met je gaat. Ik zal je snel weer schrijven.

Dag 12285 – Hoek Drift/Nobelstraat

klankdagboek, proza

In de Nobelstraat hangt een oranje gloed, de zon net boven de daken uit. De gebouwen glanzen van de met de lente toegenomen luchtvochtigheid. Op de Drift hangen vlaggen boven de ingangen van de universiteitsgebouwen, die waren er eerder nog niet. Sinds een dag of drie zwellen knoppen aan bomen en struiken, zijn er prille blaadjes, heeft alles zoveel kleur opeens.

Een dag om een nieuwe jaartelling bij te beginnen.

De pieken van de Domkerk tussen de gebouwen door, gisteren een eerste vlinder. Tussen de haastige fietsers vast menigeen die wil, maar er uit tijdgebrek niet van proeven kan.