13567

gedicht, haibun

zo ligt ze daar open, kwetsbaar,
zij die ik zo heb begeerd.
gulzig tot de kuil tussen haar borsten
is ze, het daverend kabaal dat de hemel breekt.
scheuren in klare lucht opent ze
waar ik roer- en hulpeloos oplossend
vergeefs in verkeer.

 

Het geluid van een piano klinkt ver. Blauwe, atonale golven. Ze speelt de balken uit mijn hoogslaper, het zuchten van de trage nazomerzonsondergang. In wat ze speelt hoor ik wie ze is. Beklim de ladder naar mijn ogen. Leg je onhoudbaar naast me neer.
Blijf hier, kom boven, blijf.