13679

gedicht, vrij
01-02-2019
mettertijd

onwennig draagt de stad haar nieuwe jas.
de vorst ademt wolkjes in
uit monden, uit schoorstenen, daar komen de wolken vandaan.

zo schrijf ik je als niemand nog bestaat
het ruisen van de kachel de vorm van de ruimte aanneemt,
de lucht roder voorbij trekt dan ze werkelijk is.

je kunt de dag beginnen met beweeglijke vogels
en onverschillig metaal, je verwonderen,
zien hoe alles zichzelf al draagt en mettertijd

verder smelten zal.