Dag 12312

Brief, proza

Lieve S.,

Het blijft lang koud in Nederland deze lente. Dapper heb ik de verwarming naar beneden gedraaid, maar ben daarin wellicht te enthousiast geweest. In de middagen, als het helder is, schijnt de zon op de dakplaten en warmt het snel op. Zodra de zon verdwijnt neemt ze de warmte mee. Misschien
verlang ik naar instabiliteit. Eindeloos drijven de wolken voorbij en zwerft het zonlicht over de muren, morgen weer, dan is het licht misschien wel grijs. Daar moest maar niets aan veranderen, de zon moest maar wat lijken te bewegen en de ene dag geruisloos doen overgaan in de ander. We
moesten elkaar zomaar wat met rust laten of juist opzoeken, daarvoor soms land en zee oversteken en dat het in beide gevallen goed is. Alle tijd om te denken aan buiten, om herinneringen voorbij te laten trekken, aan die brug aan het Zwartewater waar je onderdoor fietsen moest, en waar je altijd vrienden tegenkwam. Die brug ligt er nog, en aan het dorp zal ook niet veel veranderd zijn. Toch zijn ze beiden vergankelijk als de herinneringen waarin ze zich spiegelen, als in het water zelf. Ik hoop dat het goed met je gaat. Ik zal je snel weer schrijven.