12320

Dagboek, proza

Kwart over zeven. We zijn aan het werk, radio maken, op de vroege avond van hemelvaartsdag. De zon verwarmt het platte dak, de deur naar de brandtrap staat open. Stemmen waaien binnen van het plein, glazen klinken. Op een dakterras zitten drie mannen in klapstoeltjes, drinken bier en spreken Engels.

Kwart over acht. We leggen klanken vast op band. ‘Zullen we die laatste nog een keer doen, Jan?’ Op het dakterras klinken flesjes tegen elkaar. Een bulderende lach schalt door iemands baard.

Kwart voor negen. We bouwen golven van geluid. Onbekende muziek. Het wordt steeds warmer. Naarmate de avond vordert wordt het lachen buiten steeds hoger en hysterischer. Iemand gooit stukjes hout van de dakbedekking door een koepel naar beneden. Een ander verslikt zich van het lachen.

Negen uur. Iemand roept verwensingen door een koepel naar beneden. ‘Wat doe je hier nog? Ga naar huis, idioot!’ en vele vervoegingen van het woord kanker. Kanker is een werkwoord. Niemand lacht nog.

Half tien. De zon gaat onder achter de gebouwen, de deur naar de brandtrap staat open. Steeds minder stemmen waaien binnen vanaf het plein. Het dakterras is leeg. Oranje lucht gloeit na in lege glazen. Kanker, riep hij. ‘Kanker’ riep hij. Feestjes en levens komen soms abrupt tot een eind.