Dag 12313

Brief, proza

Lieve S.,

Buiten schreeuwen mannen, maar waarover of waarnaar weet ik niet. Is het niet gek, al die machines en dat gezoem en geratel, het aanzwellen ervan in de loop van de dag en het zwijgen ervan elke nacht? Je weet dat dat komt omdat een mens ook slapen moet, en eten en warm blijven en liefhebben en wat niet meer, maar dat maakt het golven ervan niet minder wonderlijk en vreemd. De wereld draait, en in datzelfde ritme draaien de mensen, en daarbinnen draaien de machines, die zelf tandwielen hebben. We branden op en branden af en er draaien miljoenen wieltjes die de dienst uitmaken,die zonder weten bepalen waar het leven begint en eindigt en ook nog wat daar tussen gebeurt. Geen wonder dat de mens al honderdduizenden jaren bang is. Geen wonder dat hij bij goden zoekt naar troost.

Werk je nog bij het concertgebouw, eigenlijk?